Soms ziet een zwerm vogels eruit alsof het één organisme is. Honderden vogels bewegen tegelijk, veranderen van richting en vormen steeds nieuwe patronen in de lucht. En toch houdt iedere vogel zich vooral bezig met de vogels direct om zich heen.
Dat beeld vormde zondag het vertrekpunt van onze MeetUP. Ons jaarthema is eenheid in gerichtheid, eenheid in Jezus, vanuit het gebed van Jezus dat zijn volgelingen één zullen zijn. Bij eenheid kun je al snel denken dat iedereen dezelfde kant op moet, hetzelfde moet vinden of op dezelfde manier moet bewegen. Maar misschien begint eenheid veel dichterbij: hoe verhoud ik mij tot de mensen direct om mij heen? Ben ik bereid te kijken, te luisteren en soms mee te bewegen?
Van die grote zwerm gingen we deze zondag steeds verder naar binnen. Naar de vraag hoe we ons eigenlijk verhouden tot ons eigen leven.
Als het begint te schuren
Ken je het gevoel dat er iets niet helemaal klopt aan de richting waarin je leven beweegt? Niet per se dat alles verkeerd gaat. Misschien is er juist veel om dankbaar voor te zijn. Werk, gezin, vrienden, een prettig leven. En toch kan er iets schuren.
Past hoe ik leef eigenlijk bij wat ik geloof? Doe ik de dingen waarvan ik ten diepste denk dat ze ertoe doen of ben ik vooral comfortabel geworden in wat ik altijd al deed? Dat ongemak is niet bepaald prettig. Onze neiging is vaak om het zo snel mogelijk op te lossen. Toch kan het juist goed zijn om er een tijdje bij te blijven, want misschien probeert dat ongemak iets zichtbaar te maken. En soms komt daar een nog spannendere vraag achteraan: roept God mij ergens toe?
We willen wel veranderen, maar niet veranderd worden
Verandering klinkt vaak aantrekkelijk zolang we zelf aan het stuur zitten. We willen graag meer rust, meer liefde, meer geloof of een andere richting. Maar wanneer iemand aan ons stuur begint te trekken, wordt het ingewikkelder. Ook wanneer die Iemand God is.
Want God die vrede geeft? Dat klinkt natuurlijk hartstikke fijn. God die vraagt iets los te laten dat goed voelt? Dat brengt natuurlijk flink wat ongemak in ons hart. En zowel die vraag als dat ongemak kunnnen op verschillende manieren binnenkomen.
Misschien vraagt iemand je om verantwoordelijkheid te nemen. Misschien blijft een bepaalde keuze terugkomen of heb je al langer het gevoel dat je iets moet veranderen in je werk, relaties of de manier waarop je je tijd gebruikt.
Dat brengt ongemak. En voordat we goed en wel naar dat gevoel hebben gekeken, hebben we vaak al argumenten klaar waarom het niet kan.
Daarin blijken we verrassend veel op Mozes te lijken.
Ik deug niet, ik weet het niet, ik kan het niet, ik wil het niet
Wanneer God Mozes roept bij de brandende braamstruik, krijgt Mozes geen kleine opdracht. God heeft de ellende van zijn volk gezien en stuurt Mozes naar de farao.
Mozes reageert nou niet direct enthousiast. Geen ‘prima, wanneer vertrekken we?’, maar een bezwaar. Steeds opnieuw. Als je zijn reacties uit Exodus 3 en 4 heel eenvoudig samenvat, klinken ze bijna als vier zinnen die ook door ons hoofd kunnen gaan. Zoals Jos Douma ze benoemd:
Ik deug niet.
Wie ben ik om dit te doen?
Ik weet het niet.
Wat moet ik zeggen als mensen vragen stellen waarop ik geen antwoord heb?
Ik kan het niet.
Ik ben helemaal geen goede spreker.
Ik wil het niet.
Stuur alstublieft iemand anders.
Misschien herkennen we ze juist daarom zo goed.
Je hoeft daarvoor niet geroepen te worden om tegenover een farao te gaan staan. Het kan ook gaan over veel kleinere momenten. Een taak waarvan je denkt dat iemand anders hem beter kan. Een gesprek waar je tegenop ziet. Een stap waarvan je niet weet hoe hij gaat uitpakken.
Soms is de conclusie ook gewoon dat iets niet bij je past. We hoeven niet alles te kunnen en we hoeven zeker niet overal ja op te zeggen. Maar de vraag is wel de moeite waard: kan ik het werkelijk niet, of vertel ik mezelf vooral dat ik het niet kan omdat de stap me ongemakkelijk maakt?
Ik zal bij je zijn
Het mooiste in het verhaal van Mozes is misschien wel wat God níét zegt. Als Mozes vraagt: “Wie ben ik dat ik dit zou doen?”, antwoordt God niet: onderschat jezelf niet, Mozes. Jij bent geweldig. Je kunt dit echt wel. Hij zegt: Ik zal bij je zijn.
Dat is iets heel anders.
Mozes hoeft zichzelf niet eerst op te pompen totdat hij voldoende zelfvertrouwen heeft. Zijn roeping rust uiteindelijk niet op de overtuiging dat hij alles kan, maar op de belofte dat God meegaat. Misschien maakt dat de vraag naar roeping ook wat lichter.
We hoeven niet eerst goed genoeg te zijn. We hoeven niet precies te weten hoe alles gaat lopen. We hoeven niet alle vaardigheden al in huis te hebben. De vraag is misschien veel eenvoudiger: Is God hier met mij bezig? En als dat zo is, durf ik dan een stap te zetten, ook als het schuurt?
Misschien begint roeping met een ‘brandende braamstruik’ midden tussen je dagelijkse bezigheden in plaats van bij een groot en duidelijk plan voor je leven. Iets wat je aandacht trekt. Een vraag die blijft terugkomen. Iemand die iets in je ziet. Een ongemak dat niet zomaar verdwijnt.
En vervolgens die oude belofte:
Ik zal bij je zijn.